Wie de afgelopen weken de tankbon heeft bekeken, weet genoeg: autorijden is ineens weer een stuk minder vanzelfsprekend. In veel huishoudens schuift er ongemerkt een extra kostenpost naar voren, precies nu andere prijzen ook al stevig aan de lijn trekken.

En dan komt al snel dezelfde vraag bovendrijven: waarom verlaagt de overheid de accijns niet, zodat benzine direct goedkoper wordt? Op straat klinkt dat logisch, maar in Den Haag is de blik inmiddels een beetje verschoven.
Waarom de politiek niet aan de pomp wil sleutelen
De oorlog in Iran en de bredere onrust in het Midden-Oosten werken door op energieprijzen, met brandstof als een van de meest zichtbare gevolgen. Een accijnsverlaging voelt dan als een simpele oplossing: tarief omlaag, prijs omlaag, klaar.
Toch kiest het kabinet voor een andere route. In het steunpakket tegen de hoge energie- en brandstofprijzen staat geen tijdelijke korting op accijnzen, maar wél een hogere belastingvrije reiskostenvergoeding voor werknemers.
Van accijnskorting naar kilometervergoeding
Concreet: het maximale bedrag dat werkgevers belastingvrij mogen vergoeden per gereden kilometer gaat omhoog van 23 naar 25 cent. Dat lijkt op papier klein, maar voor mensen die veel woon-werk kilometers maken kan het over een maand optellen.
Het idee erachter is simpel: in plaats van iedereen aan de pomp een beetje voordeel te geven, wil het kabinet vooral de groep ondersteunen die voor het werk echt afhankelijk is van de auto en dus structureel met die hogere prijzen zit.

Volgens ING kan dit juist meer opleveren
Een expert van ING Bank, Erik Slaaf, wijst erop dat een hogere reiskostenvergoeding in de praktijk vaak gunstiger kan uitpakken dan een generieke accijnsverlaging. Zeker voor werkenden die veel kilometers maken, kan het verschil opvallend groot zijn.
Uit berekeningen blijkt dat werknemers gemiddeld tot 2,5 keer meer voordeel kunnen hebben van de hogere vergoeding dan van een accijnskorting. De ‘winst’ verschuift dus van de benzinepomp naar de loonstrook, via de werkgever.
Voor wie deze maatregel bedoeld is
De verhoging is vooral interessant voor mensen die niet makkelijk kunnen uitwijken naar het openbaar vervoer. Denk aan regio’s waar de bus maar af en toe rijdt, of aan diensten buiten de spits, wanneer treinen en bussen minder vaak gaan.
Slaaf noemt voorbeelden als zorgmedewerkers, politieagenten en buschauffeurs. Dat zijn banen waarbij je niet altijd kunt kiezen voor thuiswerken of een flexibele starttijd, en waarbij de auto vaak de enige realistische optie blijft.
Rekenvoorbeeld: zo groot kan het verschil worden
Volgens ING pakt de kilometervergoeding financieel beter uit dan een accijnskorting van 10 cent per liter, afhankelijk van je situatie. Bij een woon-werkafstand van 400 kilometer per week kan het voordeel oplopen tot ongeveer 8 euro per week.
Ter vergelijking: bij een algemene accijnsverlaging van 10 cent komt het voordeel in datzelfde voorbeeld uit op circa 3 euro per week. Dat is ook geld, maar het laat zien waarom het kabinet inzet op gerichte compensatie.

De belangrijke kanttekening: werkgevers moeten niet
Er zit wel een ‘maar’ aan het plan. Werkgevers zijn namelijk niet verplicht om meteen het maximale bedrag te gaan vergoeden. Dat gebeurt alleen automatisch als het is vastgelegd in een cao of in een arbeidsovereenkomst.
Met andere woorden: de regeling maakt het mogelijk, maar het geld komt pas echt bij werknemers terecht als werkgevers meebewegen. En juist daar wringt het, want in werkgeversland klinkt niet overal enthousiasme.
Werkgevers zijn terughoudend: “Dit hoort bij cao-overleg”
Werkgeversvereniging AWVN benadrukt dat goed werkgeverschap betekent dat werknemers niet zouden moeten ‘toeleggen’ op zakelijke kilometers. Tegelijk blijkt uit een raadpleging dat veel werkgevers dit niet hét moment vinden om direct te verhogen.
AWVN-woordvoerder Jannes van der Velden wijst erop dat de belastingvrije vergoeding de afgelopen jaren al meerdere keren is opgeschroefd: van 19 naar 21, naar 23 cent. Voor werkgevers is elke stap omhoog simpelweg een kostenverhoging.
Tijdelijk verhogen, of blijft het voor altijd?
Volgens AWVN hoort de stap naar 25 cent daarom thuis aan de onderhandelingstafel. Meer reiskostenvergoeding kan namelijk betekenen dat er minder ruimte is voor andere arbeidsvoorwaarden, zoals loon, verlofregelingen of een studiebudget.
Daarnaast pleit de vereniging ervoor om de verhoging nadrukkelijk tijdelijk te maken. De reden is praktisch: als iets eenmaal is toegekend, wordt het zelden nog teruggedraaid. “Eenmaal gegeven, wordt het nooit meer minder,” is het idee.
FNV: goed, maar het voelt als een noodgreep
Ook vakbond FNV reageert kritisch, maar vanuit een andere hoek. Interim-voorzitter Dick Koerselman noemt de verhoging van de reiskostenvergoeding positief, maar tegelijk een soort pleister: handig op korte termijn, niet de echte oplossing.
Volgens FNV zouden mensen gewoon van hun loon moeten kunnen rondkomen, zonder noodgrepen. Daarom blijft de bond hameren op een hoger minimumloon en een hoger sociaal minimum, en zet ze in op stevige loonsverhogingen in cao’s.
Wat dit voor jou kan betekenen
Voor werknemers is de komende periode vooral een kwestie van checken wat er in hun sector is afgesproken. Val je onder een cao, dan is de kans groter dat de vergoeding automatisch meegroeit. Zonder afspraken blijft het afhangen van je werkgever.
En voor werkgevers wordt het balanceren: tegemoetkomen aan personeel dat voelt dat autorijden duurder wordt, terwijl de eigen kosten ook oplopen. De maatregel is dus niet alleen een fiscale wijziging, maar ook een gespreksonderwerp op de werkvloer.
De discussie is hiermee niet klaar
De kern van het debat blijft hetzelfde: help je iedereen een beetje via lagere accijns, of help je vooral de groep die het nodig heeft via gerichte compensatie? Het kabinet kiest nu voor optie twee, maar het draagvlak is nog niet vanzelfsprekend.
De komende maanden zal duidelijk worden hoeveel werkgevers de stap naar 25 cent echt maken, en of werknemers het verschil gaan merken. Wat vind jij: is dit slimmer dan een accijnsverlaging, of juist omslachtig? Laat het weten op onze sociale media.


