Het beeld aan de voordeur van een sociale huurwoning is de afgelopen jaren zichtbaar veranderd. Waar voorheen vooral mensen uit de eigen regio stonden te wachten, schuiven nu steeds meer verschillende huishoudens aan bij de rij voor een betaalbaar huurhuis.

Achter deze verschuiving gaan opvallende cijfers schuil, waarvan de impact op de woningmarkt steeds duidelijker wordt.
Voor beginnende huurders in Nederland is het proces om een sociale huurwoning te bemachtigen vaak lang en onzeker. De wachttijden lopen op, terwijl het aanbod van vrijgekomen woningen onder druk staat. Wie zich als starter meldt voor een corporatiewoning, merkt dat het speelveld niet meer hetzelfde is als enkele jaren geleden.
Opvallende stijging statushouders bij starters
Uit recente gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat het aandeel statushouders onder de starters in een sociale huurwoning flink is toegenomen. In 2024 bestond 21 procent van alle starters die in een vrijgekomen corporatiewoning zijn getrokken uit huishoudens met een statushouder.
Zes jaar geleden, in 2018, was dat nog 9 procent. Het gaat in 2024 om 8.800 huishoudens met een statushouder, tegenover 3.500 in 2018.
Daartegenover staat dat het aantal starters zonder statushouder dat een sociale huurwoning kreeg, in dezelfde periode is gedaald van 35.000 naar 32.900. De groei in het aantal starters komt dus volledig voor rekening van de statushouders.
Verdeling van sociale huurwoningen
Wanneer naar de gehele sociale huursector wordt gekeken, blijkt dat in 2024 ruim 8 procent van alle vrijgekomen corporatiewoningen toegewezen werd aan huishoudens met een of meer statushouders. Dit komt neer op ruim 13.000 woningen, wat ongeveer gelijk is aan het jaar ervoor.
Ter vergelijking: in 2018 waren dat er ruim 9.000 en in 2020 ongeveer 7.000. Sindsdien is het aantal woningen voor statushouders bijna verdubbeld.
Op persoonsniveau ligt het aandeel zelfs iets hoger. Van alle nieuwe bewoners van een vrijgekomen corporatiewoning was 9 procent statushouder. Dit hogere percentage is het gevolg van het feit dat huishoudens met een statushouder gemiddeld groter zijn dan andere huishoudens.
Startersrol van statushouders
Het CBS-rapport benadrukt dat statushouders vrijwel altijd als starter de sociale huurmarkt betreden. In 2024 was 67 procent van de huishoudens met een statushouder die een corporatiewoning betrokken, nieuw op de woningmarkt. Zes jaar eerder was dat nog 39 procent. Dit verschil heeft directe gevolgen voor de doorstroming op de woningmarkt.
Bij Nederlandse huishoudens die verhuizen naar een corporatiewoning, blijft in ruim de helft van de gevallen (54 procent) een andere woning achter die weer beschikbaar komt voor volgende kandidaten. Bij huishoudens met een statushouder gebeurt dat slechts bij 16 procent.
Vooral bij eenpersoonshuishoudens is het verschil groot: Nederlanders zonder statushouder in het huishouden laten vijf keer zo vaak een woning achter. Dit betekent dat een woning die naar een statushouder gaat, zelden leidt tot een vrijgekomen woning voor anderen.
Daardoor stokt de doorstroming, een cruciale factor voor het functioneren van de woningmarkt.
Profiel van nieuwe bewoners
Twee derde van de huishoudens die in 2024 een corporatiewoning kregen, bestond uit slechts één persoon. Van deze alleenstaanden was 8 procent statushouder, wat neerkomt op 8.500 huishoudens. Ter vergelijking: een jaar eerder lag dit aandeel nog op 7 procent.
Bij gezinnen met kinderen ligt het aandeel statushouders hoger: 21 procent van deze gezinnen had een statushouder als gezinslid.
In meer dan de helft van de gezinnen met kinderen waarbij een statushouder deel uitmaakte, had minstens één gezinslid pas korter dan een jaar een verblijfsvergunning of verbleef begin 2024 nog in een opvanglocatie van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA).
Dit geeft aan dat de instroom van nieuwe statushouders in sociale huurwoningen nog steeds actueel is.
Regionale verschillen in toewijzing
Het aandeel woningen dat aan statushouders wordt toegewezen, verschilt aanzienlijk per regio. In Flevoland ging in 2024 12 procent van de vrijgekomen corporatiewoningen naar statushouders, het hoogste percentage in Nederland. Daarna volgen de regio’s Het Gooi en Vechtstreek met 11 procent en Utrecht met 10 procent.
Opvallend is dat in de regio Delfzijl en omgeving vrijwel geen enkele woning aan statushouders werd toegewezen.
Statushouders en het totaal aantal sociale huurwoningen
Eind 2024 woonden in 48.000 van de 2,2 miljoen corporatiewoningen huishoudens met een statushouder, wat neerkomt op 2,4 procent. Wanneer voormalige statushouders worden meegerekend die sinds 1999 naar Nederland zijn gekomen en inmiddels de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen, stijgt het aantal naar bijna 177.000 woningen. Dat is 8,1 procent van alle sociale huurwoningen in Nederland.
Deze cijfers maken duidelijk dat de samenstelling van de sociale huursector in Nederland in relatief korte tijd aanzienlijk is veranderd. Waar sociale huurwoningen vroeger vooral werden bewoond door huishoudens uit de eigen regio, vormen statushouders inmiddels een steeds groter deel van de nieuwe bewoners, vooral onder starters.









