Wie zijn pensioenoverzicht openslaat, ziet meestal vooral lange reeksen cijfers en ingewikkelde termen. Maar achter die getallen speelt al langer een discussie die nu steeds luider wordt: halen Nederlandse pensioenfondsen eigenlijk wel genoeg rendement uit hun beleggingen?

Die vraag is de afgelopen maanden extra actueel geworden door nieuwe vergelijkingen, politieke aandacht en scherpe opmerkingen in talkshows. Het beeld dat daarbij ontstaat, stelt niet iedereen gerust—en dat is precies waarom het onderwerp inmiddels in Den Haag op tafel ligt.
Steeds meer twijfel over de prestaties
Nederlandse pensioenfondsen krijgen meer kritiek op hun beleggingsresultaten. In internationale vergelijkingen zouden sommige grote fondsen niet bepaald in de bovenste regionen meedraaien. Econoom Martin Visser zei daarover bij WNL Op Zondag dat de cijfers hem allerminst geruststellen.
Volgens Visser oogt het resultaat simpelweg niet sterk, zeker als je het afzet tegen wat grote buitenlandse partijen laten zien. En omdat het om gigantische vermogens gaat, kan een klein verschil in rendement op termijn uitgroeien tot bedragen waar je duizelig van wordt.
Den haag kijkt mee: minister zet rendementen op een rij
Wat eerst vooral een discussie was voor financiële pagina’s en pensioendeskundigen, schuift nu richting politiek. De minister heeft de rendementen van de vijf grootste pensioenfondsen verzameld en op een rij gezet. Later dit jaar komt er volgens Visser ook een vergelijking met buitenlandse fondsen.
Over een langere periode zouden die vijf grootste fondsen gemiddeld ergens tussen de 3,5 en 5,5 procent rendement hebben behaald. Belangrijk detail: daar moet de inflatie nog van af. Wat op papier redelijk klinkt, kan in koopkracht dus flink tegenvallen.
Waarom het noorse staatsfonds steeds terugkomt in de discussie
Als er één buitenlandse partij is die vaak als voorbeeld wordt genoemd, is het het Noorse staatsfonds. Dat fonds, gevuld met olie-inkomsten, staat bekend als een van de grootste en meest professionele beleggers ter wereld. Volgens Visser haalde Noorwegen de afgelopen vijftien jaar gemiddeld ongeveer 8 procent rendement.
Ter vergelijking: ABP, het grootste pensioenfonds van Nederland, zou in diezelfde periode volgens hem onder de 4 procent zijn gebleven. Dat verschil klinkt misschien abstract, maar op de schaal van honderden miljarden euro’s wordt het ineens heel concreet.
Het pijnlijke rekenwerk: gemiste honderden miljarden
Visser benoemt dat als je zo’n rendementsverschil vijftien jaar lang doorrekent, je uit kunt komen op ongeveer 400 miljard euro aan gemist rendement. Dat is het soort bedrag dat meteen vragen oproept: hoe kan dit, en had het anders gekund?
Tegelijk plaatst hij er een kanttekening bij. Pensioenfondsen zijn geen staatsfondsen. Ze hebben andere verplichtingen, moeten rekening houden met uitkeringen en regels, en kunnen niet alles op ‘volle risico-stand’ zetten. Een deel van het geld moet relatief veilig belegd worden.
Nieuw pensioenstelsel: andere verdeling van risico
Alsof de druk nog niet hoog genoeg is, zit Nederland midden in de overgang naar een nieuw pensioenstelsel. Daarbij verandert vooral hoe risico’s worden verdeeld tussen generaties. In grote lijnen komt het erop neer dat jongeren doorgaans meer beleggingsrisico kunnen dragen, terwijl voor ouderen voorzichtiger wordt belegd.
Volgens Visser biedt dat nieuwe systeem ruimte om beter aan te sluiten op leeftijd en horizon. Tegelijk legt het de lat hoger voor fondsen: deelnemers zullen sneller zien wat rendementen doen, en minder makkelijk accepteren dat de uitkomst achterblijft bij buitenlandse voorbeelden.
Rente-afdekking: veilige keuze die verkeerd uitpakte
Visser wijst ook naar eerdere keuzes die rendement hebben gekost. Een belangrijk voorbeeld is hoe pensioenfondsen jarenlang op grote schaal renterisico’s afdekten. Dat deden ze uit angst voor dalende rentes, omdat lage rente de waarde van toekomstige verplichtingen opblaast.
Alleen liep het anders: de rente ging juist omhoog. Daardoor werkte die afdekstrategie ongunstig uit. Wat bedoeld was als bescherming, werd in de praktijk een rem op het resultaat—precies het soort tegenvaller dat achteraf makkelijk uit te leggen is, maar vooraf lastig te voorspellen.
Opvallend zwak jaar: zelfs negatief rendement
Alsof de lange termijn nog niet gevoelig genoeg ligt, noemt Visser ook een opvallend zwakke periode: 2025. In een vergelijking met industrielanden zouden Nederlandse pensioenfondsen volgens hem als enigen een negatief rendement hebben geboekt.
Dat soort uitschieters naar beneden zorgt voor extra onrust, omdat veel mensen intuïtief verwachten dat pensioenfondsen ‘altijd wel iets verdienen’ door hun spreiding en schaal. Een negatief jaar kan gebeuren, maar als het afwijkt van de rest, wil iedereen weten waarom.
Duurzaam beleggen en uitsluitingen: nieuwe politieke wrijving
Naast rendementen speelt er nog een tweede debat dat steeds terugkomt: de rol van duurzaam beleggen. In de politiek en media klinkt kritiek op bedrijven die fondsen uit hun portefeuille hebben verwijderd. EW-hoofdredacteur Hella Hueck noemt ABP als voorbeeld.
ABP stapte uit fossiele bedrijven, terwijl aandelen van onder meer Shell en BP volgens Hueck juist goed presteerden. Ze stelt dat het lastig is om exact te zeggen hoeveel geld dit heeft gekost, maar dat het zeker om miljarden gaat, omdat er op tientallen miljarden is afgebouwd.
LEES OOK:Voor deze grote groep Nederlanders komt er goed nieuws over hun jaarlijkse UWV toeslag
Niet alleen fossiel: ook tech en industrie verdwenen uit beeld
Volgens de genoemde kritiek bleef het niet bij olie en gas. ABP verkocht ook aandelen in Tesla en zou bedrijven als Caterpillar, Google, Facebook en Instagram hebben geweerd. Daarmee raakt de discussie aan een bredere vraag: hoe ver moet een pensioenfonds gaan in het opschonen van zijn portefeuille?
Visser zet daarnaast vraagtekens bij de claim dat deelnemers dit zelf massaal zouden willen. Pensioenfondsen verwijzen vaker naar wensen van deelnemers, maar Visser zegt daarover: “Volgens de pensioenfondsen willen de mensen dit. Ik betwijfel dat ten zeerste.”
Wat betekent dit voor deelnemers?
Voor deelnemers voelt dit debat vaak afstandelijk, maar de kern is simpel: rendement en risico bepalen uiteindelijk hoeveel pensioen er later overblijft. Als rendementen structureel lager zijn dan bij vergelijkbare partijen, ontstaat druk om strategieën te herzien—of op zijn minst beter uit te leggen.
De komende tijd wordt interessant, zeker als de aangekondigde internationale vergelijking er ligt. Dan wordt pas echt zichtbaar of Nederland vooral pech had door regels en rente, of dat er structureel iets beter kan. Wat vind jij: moeten pensioenfondsen vooral veilig spelen, of mogen ze best wat scherper beleggen? Laat het weten via onze sociale media.
Bron: nieuwrechts.nl











