De vergaderzalen van Europese ministers vullen zich opnieuw met gesprekken over de toekomst van het financiële toezicht binnen de Unie. Achter de schermen klinken uiteenlopende geluiden: waar sommige landen aarzelen, lijkt Nederland juist een voortrekkersrol te willen nemen.

De sfeer is gespannen, want een definitief compromis lijkt nog niet binnen handbereik.
In beleidskringen in Den Haag wordt al langer gesproken over de rol van de Europese toezichthouder in de financiële sector. De inzet van Nederland is ditmaal opvallend ambitieus vergeleken met andere EU-lidstaten. Waar veel landen voorzichtig zijn, wil het kabinet grote stappen zetten richting verdere Europese integratie van het toezicht op financiële markten.
Nederlandse ambitie voor Europees toezicht
Minister van Financiën Eelco Heinen (VVD) heeft kenbaar gemaakt dat hij een aanzienlijk groter deel van het toezicht op grote financiële marktpartijen onder directe verantwoordelijkheid van de Europese toezichthouder ESMA (European Securities and Markets Authority) wil brengen.
In een beslisnota van het ministerie van Financiën wordt benadrukt dat voor Nederland “een significant aantal entiteiten onder direct ESMA-toezicht” zou moeten vallen. Dit betreft toezicht dat momenteel grotendeels op nationaal niveau plaatsvindt, waarbij autoriteiten als de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en De Nederlandsche Bank (DNB) een centrale rol vervullen.
Tijdens de bijeenkomst van de Ecofinraad afgelopen vrijdag probeerden de Europese ministers van Financiën overeenstemming te bereiken over het voorgestelde plan. De onderhandelingen zijn echter nog volop gaande. De beslisnota geeft aan dat het “nog onduidelijk is of er een akkoord bereikt kan worden”.
Nederland behoort volgens de geannoteerde agenda tot “een van de meest ambitieuze lidstaten” op dit gebied, terwijl andere landen zich beduidend terughoudender opstellen.
Volledige overdracht van toezichtverantwoordelijkheden
Waar sommige landen vooral pleiten voor intensievere samenwerking tussen toezichthouders, gaat Nederland verder. Het kabinet streeft naar een volledige overdracht van toezichtverantwoordelijkheden voor instellingen die straks onder het mandaat van ESMA komen te vallen.
Dit betekent dat nationale toezichthouders, zoals de AFM en DNB, blijven samenwerken met ESMA, maar dan alleen voor het toezicht dat op nationaal niveau blijft liggen.
Het voorstel richt zich in het bijzonder op de financiële marktinfrastructuur. Daaronder vallen onder andere belangrijke beurzen en andere handelsplatformen, instellingen die transacties afwikkelen, clearinghuizen, ondernemingen die effecten bewaren en afhandelen, en bepaalde cryptobedrijven. Het plan behelst dus niet dat het volledige toezicht op banken, pensioenfondsen of verzekeraars naar ESMA in Parijs wordt overgeheveld.
Impact op de Nederlandse marktpartijen
De verschuiving kan voor Nederland wel ingrijpende gevolgen hebben. Volgens kabinetsstukken betreft het mogelijk zeven groepen van handelsplatformen, drie instellingen die transacties afwikkelen, en circa vier tot vijf Nederlandse cryptopartijen. Welke specifieke ondernemingen uiteindelijk echt onder rechtstreeks ESMA-toezicht zullen vallen, is nog niet vastgesteld.
De reikwijdte van het voorstel maakt dat Nederland stevig inzet op het versterken van het Europese toezicht, zelfs als de precieze gevolgen voor de nationale toezichthouders nog niet volledig duidelijk zijn. Het kabinet erkent dat de financiële en personele consequenties voor de AFM en DNB “op dit moment nog niet goed te overzien” zijn.
Voorgeschiedenis van de Nederlandse koers
De huidige Nederlandse opstelling komt niet uit het niets. Al aan het begin van dit jaar maakte het kabinet duidelijk te willen inzetten op een uitbreiding van de bevoegdheden van ESMA. Ook toen al steunde Nederland het overhevelen van toezicht van nationale toezichthouders naar ESMA, mits dit “proportioneel is en efficiënt kan worden ingericht”.
De richting is dus niet nieuw, maar de inzet voor de komende Ecofinraad geeft aan dat Nederland nu zelfs verder wil gaan dan voorheen.
De precieze consequenties voor de nationale toezichthouders zijn echter nog in onderzoek. Het is volgens het kabinet lastig te voorspellen wat de impact zal zijn op de capaciteit en middelen van instanties als de AFM en DNB.
Opstelling van de AFM en internationale samenwerking
Ook de AFM, de Nederlandse financiële toezichthouder, staat niet onwelwillend tegenover een verschuiving naar meer centraal Europees toezicht. Samen met de Franse tegenhanger AMF steunt de AFM het versterken van de centrale Europese controle, mits aan enkele voorwaarden wordt voldaan.
Deze voorwaarden betreffen onder meer de kosten, de onafhankelijkheid van het bestuur en een goede samenwerking tussen ESMA en de nationale toezichthouders.
Laura van Geest, voorzitter van de AFM, noemt het voorgestelde pakket “een unieke kans om de Europese kapitaalmarkten te versterken en de effectiviteit van het toezicht binnen de Europese Unie te vergroten”. De steun van de AFM is dus niet onbegrensd, maar stoelt op duidelijke eisen en randvoorwaarden.
LEES OOK:Pijnlijke situatie voor Wendy van Dijk bij SBS 6: woorden van John de Mol zeggen veel
Besluitvorming nog niet afgerond
De bijeenkomst van de Europese ministers van Financiën op vrijdag leidde niet tot een definitief akkoord over de aanpassing van de Europese wetgeving. Het doel van de Ecofinraad was het bepalen van een gezamenlijke positie van de lidstaten, maar de onderhandelingen zijn nog niet afgerond.
Minister Heinen benadrukt in zijn beslisnota dat de besluitvorming doorgaat en dat Nederland pas akkoord zal gaan als het uiteindelijke compromis voldoende aansluit bij de eigen inzet.
Het Nederlandse streven naar verdergaande Europese integratie op het gebied van financieel toezicht plaatst het land in de voorhoede van de EU-discussie. Andere landen kiezen voorlopig voor een meer afwachtende houding, waardoor het nog onzeker is of de ambitieuze koers van Den Haag volledig gerealiseerd kan worden.
De komende weken zullen uitwijzen of er een akkoord gevonden wordt dat tegemoetkomt aan de Nederlandse wensen en tegelijkertijd op voldoende draagvlak kan rekenen binnen de Europese Unie.











